post

Bloemenbokaal weer thuis bij de LVS

Op 24 september 2017 kwam via de redactie een mail bij het bestuur van de LVS binnen van de zoon van mevrouw Toos Brinkmeyer-Koelemey. Deze heer Fred Brinkmeyer had op zolder een bokaal staan die zijn moeder 3x heeft gewonnen met schoonrijden op natuurijs. Dit is de zilveren “Bloemenbokaal” of “Rozenkrans”.

Hier het beknopte verhaal van deze bokaal.
Nadat een eerder ingestelde wisselbeker door mevrouw T. de Boer-Blaauboer 3x was gewonnen bij de Nederlandse kampioenschappen Schoonrijden voor dames op natuurijs, stelde de KNSB in november 1922 een nieuwe prijs beschikbaar voor het schoonrijden voor dames in de vorm van een zilveren bloemenbokaal, onder de naam “Jubileum-prijs”. Deze prijs zou definitief in het bezit komen van diegene die de ‘Bloemenbokaal’ in het jaar dat de schaatsbond 50 jaar zou bestaan, veroverde.
In het seizoen 1932/1933 werd de bokaal bij het NK in Groningen definitief eigendom van alweer mevrouw T. de Boer-Blaauboer. Zij stelde deze bokaal met speciale houten kist echter wederom ter beschikking voor het NK schoonrijden voor dames.
Na diverse winnaressen won mevrouw Toos Brinkmeyer-Koelemey 3x achtereen het NK op natuurijs (1948, 1954 en 1955). In 1948 was de houten kist er niet meer bij, waarschijnlijk als kachelhout gebruikt tijdens de hongerwinter. De fraaie deksel bestaat nog steeds en is te zien in het Hindelooper Schaatsmuseum. In 1963 kwam er een einde aan de ’Bloemenbokaal’ als ereprijs. Mevrouw Toos Brinkmeyer-Koelemey was niet van plan om, na 3 x de prijs gewonnen te hebben, deze prijs opnieuw ter beschikking te stellen en deze bokaal is altijd in haar bezit gebleven. Het gehele verhaal en het vervolg van de prijs is te lezen in het boek ‘Het Schaatsenrijders Boek’, hetgeen is uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de Landelijke Vereniging van Schoonrijders. Dit boek is geschreven door Ron Couwenhoven en Huub Snoep.

      

Onze voorzitter, Annemarie Zandbergen, heeft de prijs opgehaald, zeer goed opgepoetst en het rooster gerepareerd. De bokaal zal op de ALV en LVS-dag van 31 oktober 2017 te bewonderen zijn. Daarna wordt de bokaal, op verzoek van de heer Fred Brinkmeyer, in een van de vitrines over schoonrijden en schaatsen bij de ijsbaan in Hoorn geplaatst. De bokaal blijft eigendom van de LVS. Uiteraard danken wij de familie Brinkmeyer voor het schenken van de bokaal.

post

Historie van de ‘Bloemenbokaal’

Je hebt ereprijzen en je hebt ereprijzen. In het schaatsen zijn het veelal medailles, al kreeg Jaap Eden toen hij in 1893 op het Museumplein in Amsterdam wereldkampioen werd een bijzondere trofee, geschonken door de Amsterdamsche IJsclub.

Ook in het schoonrijden was het lang traditie om fraaie wisselbekers aan de winnaars van de nationale titels beschikbaar te stellen. Petrus Wernink, zelf geen onverdienstelijk schoonrijder, gaf hiertoe op de jaarvergadering van de Bond in 1915 de aanzet. Uit erkentelijkheid “voor het genoegen dat het schoonrijden hem had geboden”, stelde hij een zilveren wisselprijs ter beschikking, de zogenoemde ‘Leidsche Beker’, voor de Nederlandse kampioenschappen heren.

Mejuffrouw C.P.E.M. Couvée uit Utrecht meende dat haar seksegenoten niet achtergesteld mochten worden en bood op de volgende algemene jaarvergadering de ‘Elf Provinciën Prijs’ aan, die als wisselbeker voor de Nederlandse dameskampioenschappen dienst zou doen.

Bezit

Het Nederlands kampioenschap moest driemaal achter elkaar of vier keer in totaal worden behaald om definitief bezitster van de ‘Elf Provinciën Prijs’ te worden. Voor de ‘Leidsche Beker’ gold een ander reglement. Die zou in 1928 definitief in het bezit komen van diegene die in dat jaar Nederlands kampioen werd. Dat werd Evert Lautenbach. Met vier nationale titels op rij en zeven in de periode 1906-1933 had de Rotterdammer er ook het meeste recht op.

In het jaar dat de schaatsbond veertig jaar bestond (1922), werd de ‘Elf Provinciën Prijs’ het eigendom van Trien de Boer-Blaauboer. Al op 28 november 1921 werd zij in Arnhem gekroond tot de nieuwe Nederlandse kampioene van het seizoen 1921-1922. Zij had de titel daarmee driemaal op rij gewonnen (1918, 1919 en 1922).

Nieuwe prijs

Het dagelijks bestuur van de Bond besloot daarop een nieuwe prijs voor het schoonrijden voor dames beschikbaar te stellen in de vorm van een zilveren bloemenbokaal, onder de naam ‘Jubileum-prijs’. Deze prijs, verreweg de mooiste die de afgelopen eeuw beschikbaar is gesteld, kreeg een levensduur mee van tien jaar en zou definitief in het bezit komen van diegene die de ‘Bloemenbokaal’ in het jaar dat de schaatsbond vijftig jaar zou bestaan (1932), veroverde.

De Bloemenbokaal werd uiteindelijk in het seizoen 1932-1933 bij het NK in Groningen eigendom van Trien de Boer-Blaauboer. Ze stelde hem echter opnieuw ter beschikking. En daardoor verhuisde de ‘Bloemenbokaal’ in 1940 naar Elisabeth Schoorl-Keetman, die in Groningen de titel voor de neus van Maria Stuurman van Vliet en Trien Blaauboer wegkaapte.

Toos Brinkmeyer-Koelemey

Toos Brinkmeyer-Koelemey met de bloemenbokaal.

Vijftien jaar later (1955) kwam de Bloemenbokaal definitief in handen van Toos Brinkmeyer-Koelemey, die drie maal achtereen Nederlands kampioene werd (1948, 1954 en 1955). De schaatsbond verzocht Toos Brinkmeyer-Koelemey, die ook in 1956 de nationale titel schoonrijden veroverde, de Bloemenbokaal wederom beschikbaar te stellen. Deze voelde daar echter niets voor, en toonde hem tijdens het 50-jarige bestaan van de LVS trots aan de fotograaf.

Staartje

Het einde van de Bloemenbokaal als ereprijs kreeg in 1963 tijdens de prijsuitreiking van het NK schoonrijden in Zenderen nog een staartje. De KNSB had namelijk geen nieuwe ‘ereprijs’ voor handen voor de dames. Daardoor ontstond bij de prijsuitreiking een pijnlijke situatie. De voorzitter van de KNSB, Henk Wesselo, kon namelijk aan de winnaar bij de heren, Dirk Visser, een enorme beker van bijna een halve meter hoog uitreiken, terwijl Riet Rommelaar-Timmerman, winnares bij de dames, met een ‘lilliput-bekertje’ werd opgescheept.

Dat lilliput-bekertje dankte de kampioene nog aan het initiatief van wedstrijdleidster, mevrouw A.A. Westenberg-De Zwaan uit Almelo. Zij had de KNSB meerdere malen verzocht stappen te ondernemen om voor een nieuwe prijs te zorgen. Omdat ze echter geen toezegging kreeg, nam ze het zekere voor het onzekere en kocht zelf een bekertje, “om ieder geval iets te hebben”, zoals ze na de prijsuitreiking aan een verslaggever liet weten. En dat was maar goed ook, want het bekertje bleek echt nodig te zijn.

Waar de ‘Bloemenbokaal’ nu is? Niemand die het weet. Misschien meegegaan in het graf met de inmiddels overleden Toos Brinkmeyer-Koelemey, want die was er apetrots op.

Foto’s: Huub Snoep
Bron: schaatsen.nl
post

De 30 cent van Toos Koelemey

Schoonrijden is vandaag de dag een sport waar de gemiddelde leeftijd van de beoefenaren hoog ligt. Maar dat is anders geweest. Meervoudig Nederlands kampioene schoonrijden Toos Koelemey vertelde me midden jaren negentig van de vorige eeuw dat ze 14 jaar was toen ze aan haar eerste schoonrijwedstrijden deelnam. Al had ze daarvoor wel de hulp van een politieagent nodig.

We schrijven de winter van 1933. Hoewel ze het thuis allesbehalve breed hadden, kregen Toos en haar oudste zus ieder een gulden mee om aan schoonrijwedstrijden in de Beemster mee te doen. “Om reisgeld uit te sparen ging mijn zus op de schaats naar de wedstrijden”, aldus Toos. “Ik ging met de bus. Dat kostte 30 cent.”

In het inschrijflokaal op de ijsbaan krijgt Toos Koelemey te horen dat ze een gulden inschrijfgeld moest betalen, een bedrag dat ze totaal niet had verwacht en voor die tijd aan de hoge kant was. Omdat ze slechts 70 cent had, kreeg ze te horen dat ze niet mee kon doen. Daar was ze dan speciaal voor uit Purmerend gekomen.

Sneu

Maar op het moment dat ze beteuterd, met de schaatsen onder de arm en met tranen in de ogen het inschrijflokaal verliet, schoot een politieagent te hulp. “Ik vind het zo sneu voor dit meisje, ik leg die 30 cent er wel bij”, maakte ’oom agent’ Toos Koelemey blij.

“Je kreeg een nummer, waarna je werd afgeroepen om te starten. De zes besten werden geschift en moesten nog een keer op voor de prijzen. Er deden 37 rijdsters mee. Er waren hele beroemdheden bij, zoals mevrouw Schoorl-Keetman”, vertelde Toos mij.

Illusies over een hoge klassering maakten de zusjes zich dan ook niet. Ze hadden de schaatsen al afgebonden, toen een mevrouw zenuwachtig in de richting van Toos kwam aanlopen. Koelemey: “‘Waar blijft u, waar blijft u…’, riep ze me toe. Wat bleek, ik zat bij het zestal dat de finale moest rijden, en ik moest al als nummer twee starten. Maar omdat ik mijn schaatsen opnieuw moest aandoen, mocht ik als laatste rijden.”

Prijs

Vervolgens de prijsuitreiking. “Daar verwachtte ik niks van”, aldus Toos. “Maar diezelfde politieagent die eerder op de dag de bewuste 30 cent had bijgepast, zei: ‘Je moet niet weggaan, misschien heb je een prijs’. Omdat ik eigenlijk de bus moest halen, stelde hij me voor om me met de auto thuis te brengen. Maar nogmaals, ik verwachtte niet dat ik in de prijzen zat. Temeer daar alle dames mooie fluwelen kleren droegen en ik maar een gewoon jurkje aanhad.”

De eerste prijs ging naar mevrouw Schoorl-Keetman. Voor de zilveren plak werd in het overvolle café ‘mejuffrouw Koelemey’ naar voren geroepen. Toos: “Ik wist niet wat me overkwam. Een medaille met een lint… Prachtig.”

Vervolg

Het succes in de Beemster kreeg de daaropvolgende jaren weinig vervolg. Toos Koelemey trouwde, kreeg twee kinderen en begon met haar man een café. Nadat ze was gescheiden, pakte ze na de Tweede Wereldoorlog de schoonrij-draad weer op. “Ik moest en zou aan de top komen. Om dat te bereiken ging ik een jaar lang elke week naar de Apollohal in Amsterdam om te trainen. Om ijsgevoel te krijgen. Ik was de enige die dat deed in die jaren.”

Die extra training wierp zijn vruchten af. In 1948 greep Toos Koelemey in Almelo de nationale titel. Er zouden er in 1954, 1955 en 1956 nog drie volgen. Daarnaast veroverde Toos drie maal goud bij de paren met haar ijspartner Joop Hazelbag.

Huub Snoep is hoofdredacteur van schaatsen.nl. Samen met Marnix Koolhaas verzorgt hij de wekelijkse rubriek ‘Het historisch perspectief’ op schaatsen.nl.

Tekst: Huub Snoep
Foto: schaatsen.nl
Bron: schaatsen.nl