post

Schoonrijden basis van schaatsen

Schoonrijden, weet u eigenlijk wel wat het verschil is met kunstrijden? Bij de NOS weten ze het helaas nog steeds niet. Toen afgelopen dinsdag bekend werd dat schoonrijden door de Unesco officieel is erkend als ‘immaterieel erfgoed’ meldde de NOS op de website: “Met Joan Haanappel en Sjoukje Dijkstra haalde Nederland grote successen in het kunstrijden op de schaats, een aan de oud-Hollandse traditie verwante sport.”

Vooruit dan maar, nog één keer: schoonrijden en kunstrijden hebben net zoveel of zo weinig met elkaar te maken als kunstrijden en hardrijden. De drie schaatsdisciplines gebruiken ook geheel verschillende schaatsen. Mocht je écht een parallel zoeken, dan is schoonrijden veel meer verwant aan het hardrijden, dan aan het kunstrijden.

Schoonrijden is feitelijk de ‘basisslag’ van het hardrijden. Óverkomen: dáár gaat het vooral om in het hardrijden, en daar gaat het vrijwel uitsluitend om bij het schoonrijden. Wie dát beheerst, doorgrondt in feite de magie van het schaatsen: een beweging die als je hem perfect weet uit te voeren, door de lage glijweerstand met het ijs vrijwel geen energie kost.

Een goede schoonrijder kán eigenlijk niet moe worden. Vandaar ook dat geoefende schoonrijders hun sport tot op hoge leeftijd kunnen blijven uitoefenen. En vandaar ook dat Ard Schenk, ambassadeur van het schoonrijden, de sport aanbeveelt als ideale manier om ook op hogere leeftijd fit en gezond te blijven.

Maar hoe zit dat nou met kunstrijden? Daar heeft schoonrijden dus niets mee te maken. Een kunstschaats wijkt in vrijwel alles af van een schoonrij-schaats. De kunstschaatser zet nauwelijks zijwaarts af, komt niet over, maar ‘prikt’ zich vooruit. De schaats is ook veel korter en dus veel wendbaarder. Bovendien zitten er kartels voor aan het ijzer, nodig om grip te hebben bij de voor het kunstrijden zo wezenlijke sprongen.

Minst inspannend

Het merkwaardige is dat we over de oorsprong van het schoonrijden weinig weten. Het woord ‘schoonrijden’ kom je pas rond 1870 voor het eerst tegen.

Dankzij de winterlandschappen, die vanaf de zeventiende eeuw in ons land zijn geschilderd, weten we dat er al veel langer geschaatst werd op een manier die sterk lijkt op het huidige schoonrijden. Dat het geen aparte naam had, kwam vermoedelijk omdat eigenlijk iedereen zo schaatste: het was tenslotte de minst inspannende manier om lange afstanden af te kunnen leggen!

Het woord ‘schoonrijden’ kwam pas in zwang toen schaatsen een echte sport werd. De KNSB werd in 1882 opgericht om het schaatsen als wedstrijdsport te organiseren. Dat was hoog nodig, want er werd op en rond het ijs volop gegokt en rijders verkochten overwinningen aan elkaar. Met duidelijke regels kwam er dankzij de KNSB langzaam orde in de hardrijderswereld.

Wedstrijdpad

Ondertussen hadden ook de schoonrijders de eerste schreden op het wedstrijdpad gezet. Vooral in Amsterdam werd het schoonrijden als sport snel populair. Nog meer dan bij het hardrijden deed zich het probleem voor van de reglementering, want hoe leg je iets in regels vast wat al eeuwenlang op gevoel gedaan wordt?

Een mooi voorbeeld is de wedstrijd die de ‘Amsterdamsche Skating-Club’ in 1879 uitschreef. De jury had de volgende voorwaarden gesteld voor het behalen van een prijs:

“In de eerste plaats geldt de wijze waarop de voet buitenwaarts wordt nedergezet, en in de tweede het goed bijtrekken van den anderen voet. Op rechte knieën let de jury bijzonder, en niet minder op de goede houding van het bovenlijf, het stilhouden der armen en het mooi overleggen.”

Oervorm

Ziet u het voor zich? En toch begreep elke schaatser wat er bedoeld werd.

Schoonrijden: het is goed dat de ‘oervorm’ van het schaatsenrijden als uniek Nederlands erfgoed nu een internationaal beschermde status heeft verkregen!

Tekst: Marnix Koolhaas
Foto: Collectie Rijksmuseum
Bron: schaatsen.nl
post

De 30 cent van Toos Koelemey

Schoonrijden is vandaag de dag een sport waar de gemiddelde leeftijd van de beoefenaren hoog ligt. Maar dat is anders geweest. Meervoudig Nederlands kampioene schoonrijden Toos Koelemey vertelde me midden jaren negentig van de vorige eeuw dat ze 14 jaar was toen ze aan haar eerste schoonrijwedstrijden deelnam. Al had ze daarvoor wel de hulp van een politieagent nodig.

We schrijven de winter van 1933. Hoewel ze het thuis allesbehalve breed hadden, kregen Toos en haar oudste zus ieder een gulden mee om aan schoonrijwedstrijden in de Beemster mee te doen. “Om reisgeld uit te sparen ging mijn zus op de schaats naar de wedstrijden”, aldus Toos. “Ik ging met de bus. Dat kostte 30 cent.”

In het inschrijflokaal op de ijsbaan krijgt Toos Koelemey te horen dat ze een gulden inschrijfgeld moest betalen, een bedrag dat ze totaal niet had verwacht en voor die tijd aan de hoge kant was. Omdat ze slechts 70 cent had, kreeg ze te horen dat ze niet mee kon doen. Daar was ze dan speciaal voor uit Purmerend gekomen.

Sneu

Maar op het moment dat ze beteuterd, met de schaatsen onder de arm en met tranen in de ogen het inschrijflokaal verliet, schoot een politieagent te hulp. “Ik vind het zo sneu voor dit meisje, ik leg die 30 cent er wel bij”, maakte ’oom agent’ Toos Koelemey blij.

“Je kreeg een nummer, waarna je werd afgeroepen om te starten. De zes besten werden geschift en moesten nog een keer op voor de prijzen. Er deden 37 rijdsters mee. Er waren hele beroemdheden bij, zoals mevrouw Schoorl-Keetman”, vertelde Toos mij.

Illusies over een hoge klassering maakten de zusjes zich dan ook niet. Ze hadden de schaatsen al afgebonden, toen een mevrouw zenuwachtig in de richting van Toos kwam aanlopen. Koelemey: “‘Waar blijft u, waar blijft u…’, riep ze me toe. Wat bleek, ik zat bij het zestal dat de finale moest rijden, en ik moest al als nummer twee starten. Maar omdat ik mijn schaatsen opnieuw moest aandoen, mocht ik als laatste rijden.”

Prijs

Vervolgens de prijsuitreiking. “Daar verwachtte ik niks van”, aldus Toos. “Maar diezelfde politieagent die eerder op de dag de bewuste 30 cent had bijgepast, zei: ‘Je moet niet weggaan, misschien heb je een prijs’. Omdat ik eigenlijk de bus moest halen, stelde hij me voor om me met de auto thuis te brengen. Maar nogmaals, ik verwachtte niet dat ik in de prijzen zat. Temeer daar alle dames mooie fluwelen kleren droegen en ik maar een gewoon jurkje aanhad.”

De eerste prijs ging naar mevrouw Schoorl-Keetman. Voor de zilveren plak werd in het overvolle café ‘mejuffrouw Koelemey’ naar voren geroepen. Toos: “Ik wist niet wat me overkwam. Een medaille met een lint… Prachtig.”

Vervolg

Het succes in de Beemster kreeg de daaropvolgende jaren weinig vervolg. Toos Koelemey trouwde, kreeg twee kinderen en begon met haar man een café. Nadat ze was gescheiden, pakte ze na de Tweede Wereldoorlog de schoonrij-draad weer op. “Ik moest en zou aan de top komen. Om dat te bereiken ging ik een jaar lang elke week naar de Apollohal in Amsterdam om te trainen. Om ijsgevoel te krijgen. Ik was de enige die dat deed in die jaren.”

Die extra training wierp zijn vruchten af. In 1948 greep Toos Koelemey in Almelo de nationale titel. Er zouden er in 1954, 1955 en 1956 nog drie volgen. Daarnaast veroverde Toos drie maal goud bij de paren met haar ijspartner Joop Hazelbag.

Huub Snoep is hoofdredacteur van schaatsen.nl. Samen met Marnix Koolhaas verzorgt hij de wekelijkse rubriek ‘Het historisch perspectief’ op schaatsen.nl.

Tekst: Huub Snoep
Foto: schaatsen.nl
Bron: schaatsen.nl