post

Schoonrijden als immaterieel cultureel erfgoed

Het schoonrijden is tot nu toe naast het krulbollen uit Zeeuws-Vlaanderen en de valkerij de enige sport die erkend is als immaterieel cultureel erfgoed in Nederland. Op 5 november jl. werd Ineke Strouken, directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed (VIE), gezeten op een duwslee door 90 schoonrijders uit het hele land onthaald om het nieuws bekend te maken. Vervolgens overhandigde Ineke Strouken een certificaat aan Emile Kallen, voorzitter van de Landelijke Vereniging van Schoonrijders (LVS), onder toeziend oog van Ard Schenk, ambassadeur van het schoonrijden, en Jan Bolt, penningmeester van de KNSB.

Schoonrijden is het achtiende erfgoed dat op de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed is geplaatst. Naar verwachting zullen aan het eind van dit jaar 43 erfgoederen op deze Inventaris staan. De komende jaren zal de Nationale Inventaris verder worden uitgebreid.

Ineke Strouken van het VIE: “Het is heel bijzonder dat het schoonrijden nu al op de Nationale Inventaris staat vóór bijvoorbeeld de Elfstedentocht. De Landelijke Vereniging van Schoonrijders kon de lange traditie van het schoonrijden heel goed aantonen. En het gaat hier om een levende traditie die gedragen wordt door een hechte gemeenschap in de vorm van de Landelijke Vereniging van Schoonrijders, gesteund door de KNSB.”

De Landelijke Vereniging van Schoonrijders is een zelfstandige vereniging, die verantwoordelijk is voor de instandhouding van het schoonrijden als cultureel verschijnsel. Als het gaat om schoonrijden als pure schaatssport fungeert de vereniging ook als sectie Schoonrijden van de KNSB (het opleiden van trainers en juryleden, het organiseren van de wedstrijden etc.). In de praktijk zijn die twee invalshoeken vaak moeilijk te scheiden. Daarom is de aanvraag om erkend te worden als cultureel erfgoed ingediend door de LVS én de KNSB samen.

Emile Kallen, voorzitter van de Landelijke Vereniging van Schoonrijders, weet dat de erkenning van het schoonrijden als cultureel erfgoed de verplichting met zich meebrengt om het schoonrijden door te geven aan komende generaties. “We hebben met steun van het Fonds voor Cultuurparticipatie, het Prins Bernhard Cultuurfonds en KPN de film ‘Schoonrijden met Ard Schenk‘ laten maken waarin het schoonrijden in de volle breedte aan bod komt: geschiedenis, techniek en beleving. Met deze film kunnen we een groot publiek van potentiële schoonrijders bereiken.”

Meervoudig Nederlands-, Europees-, Wereld- en Olympisch kampioen Ard Schenk daarover: “De basis van het schoonrijden is het overkomen, het afwisselend op de binnen- en de buitenkant rijden. Daarom pleit ik er voor om bij de training van langebaanrijders meer aandacht te besteden aan het onder de knie krijgen van de schoonrijslag. Niet alleen hebben alle schaatsers baat bij deze techniek, het draagt ook bij aan het levend houden van het schoonrijden als cultureel erfgoed. En bovendien past het goed in het beleid van de KNSB om meer uit te wisselen tussen de verschillende disciplines.”

Emile Kallen vult aan: “We bieden schaatsverenigingen proeflessen en demonstraties aan in het schoonrijden. Het is altijd het beste als mensen het zelf eens proberen en ervaren.”
Schoonrijden heeft het imago oubollig te zijn en alleen geschikt voor ouderen. Kallen: “Wij stellen ons open voor nieuwe ideeën, zowel vanuit de vereniging zelf als ook van buiten af. We hebben een commissie Vernieuwing schoonrijden ingesteld die een aantal nieuwe schoonrijfiguren heeft voorgesteld. Die proberen we nu uit. Afgelopen jaar hebben we onder andere een proefles gegeven aan studenten in Groningen en van hen feedback gekregen. En dan blijkt dat zij niet alleen geïnteresseerd zijn in de techniek van het schoonrijden, maar vooral ook in het samen schaatsen, in de beleving van het samen zweven over het ijs, zeg maar het culturele element.”

Het uiteindelijke streven van de LVS en haar ambassadeur Ard Schenk is internationaal erkend te worden door UNESCO als immaterieel erfgoed. Nederland heeft in 2012 al het UNESCO ‘Verdrag ter bescherming van het immaterieel erfgoed’ ondertekend, maar de Raad voor Cultuur is nog bezig met het opstellen van de juiste aanmeldings- en toekenningsprocedure. Voor UNESCO kan de LVS het schoonrijden niet voordragen. Dat moet de Staat der Nederlanden doen, en die wil daarbij wel zeker zijn van zijn zaak.

Ineke Strouken van het VIE merkt overigens op dat het schaatsen in Nederland in het algemeen eigenlijk ook als erfgoed zou kunnen worden aangemerkt. “Er is geen land in de wereld waar zoveel mensen zich op het ijs begeven als er sprake is van natuurijs. Maar wie is dan de aanvrager voor al die plotselinge uitingen van schaatsplezier.” Ligt hier een schone taak voor de KNSB?

Tekst: Wiebe Blauw
Foto: Martin de Jong
Bron: Magazine schaatsen.nl
post

Schoonrijden basis van schaatsen

Schoonrijden, weet u eigenlijk wel wat het verschil is met kunstrijden? Bij de NOS weten ze het helaas nog steeds niet. Toen afgelopen dinsdag bekend werd dat schoonrijden door de Unesco officieel is erkend als ‘immaterieel erfgoed’ meldde de NOS op de website: “Met Joan Haanappel en Sjoukje Dijkstra haalde Nederland grote successen in het kunstrijden op de schaats, een aan de oud-Hollandse traditie verwante sport.”

Vooruit dan maar, nog één keer: schoonrijden en kunstrijden hebben net zoveel of zo weinig met elkaar te maken als kunstrijden en hardrijden. De drie schaatsdisciplines gebruiken ook geheel verschillende schaatsen. Mocht je écht een parallel zoeken, dan is schoonrijden veel meer verwant aan het hardrijden, dan aan het kunstrijden.

Schoonrijden is feitelijk de ‘basisslag’ van het hardrijden. Óverkomen: dáár gaat het vooral om in het hardrijden, en daar gaat het vrijwel uitsluitend om bij het schoonrijden. Wie dát beheerst, doorgrondt in feite de magie van het schaatsen: een beweging die als je hem perfect weet uit te voeren, door de lage glijweerstand met het ijs vrijwel geen energie kost.

Een goede schoonrijder kán eigenlijk niet moe worden. Vandaar ook dat geoefende schoonrijders hun sport tot op hoge leeftijd kunnen blijven uitoefenen. En vandaar ook dat Ard Schenk, ambassadeur van het schoonrijden, de sport aanbeveelt als ideale manier om ook op hogere leeftijd fit en gezond te blijven.

Maar hoe zit dat nou met kunstrijden? Daar heeft schoonrijden dus niets mee te maken. Een kunstschaats wijkt in vrijwel alles af van een schoonrij-schaats. De kunstschaatser zet nauwelijks zijwaarts af, komt niet over, maar ‘prikt’ zich vooruit. De schaats is ook veel korter en dus veel wendbaarder. Bovendien zitten er kartels voor aan het ijzer, nodig om grip te hebben bij de voor het kunstrijden zo wezenlijke sprongen.

Minst inspannend

Het merkwaardige is dat we over de oorsprong van het schoonrijden weinig weten. Het woord ‘schoonrijden’ kom je pas rond 1870 voor het eerst tegen.

Dankzij de winterlandschappen, die vanaf de zeventiende eeuw in ons land zijn geschilderd, weten we dat er al veel langer geschaatst werd op een manier die sterk lijkt op het huidige schoonrijden. Dat het geen aparte naam had, kwam vermoedelijk omdat eigenlijk iedereen zo schaatste: het was tenslotte de minst inspannende manier om lange afstanden af te kunnen leggen!

Het woord ‘schoonrijden’ kwam pas in zwang toen schaatsen een echte sport werd. De KNSB werd in 1882 opgericht om het schaatsen als wedstrijdsport te organiseren. Dat was hoog nodig, want er werd op en rond het ijs volop gegokt en rijders verkochten overwinningen aan elkaar. Met duidelijke regels kwam er dankzij de KNSB langzaam orde in de hardrijderswereld.

Wedstrijdpad

Ondertussen hadden ook de schoonrijders de eerste schreden op het wedstrijdpad gezet. Vooral in Amsterdam werd het schoonrijden als sport snel populair. Nog meer dan bij het hardrijden deed zich het probleem voor van de reglementering, want hoe leg je iets in regels vast wat al eeuwenlang op gevoel gedaan wordt?

Een mooi voorbeeld is de wedstrijd die de ‘Amsterdamsche Skating-Club’ in 1879 uitschreef. De jury had de volgende voorwaarden gesteld voor het behalen van een prijs:

“In de eerste plaats geldt de wijze waarop de voet buitenwaarts wordt nedergezet, en in de tweede het goed bijtrekken van den anderen voet. Op rechte knieën let de jury bijzonder, en niet minder op de goede houding van het bovenlijf, het stilhouden der armen en het mooi overleggen.”

Oervorm

Ziet u het voor zich? En toch begreep elke schaatser wat er bedoeld werd.

Schoonrijden: het is goed dat de ‘oervorm’ van het schaatsenrijden als uniek Nederlands erfgoed nu een internationaal beschermde status heeft verkregen!

Tekst: Marnix Koolhaas
Foto: Collectie Rijksmuseum
Bron: schaatsen.nl
post

Schoonrijden wordt cultureel erfgoed

UTRECHT – Schoonrijden op de schaats wordt op de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed in Nederland geplaatst.

Dat zal dinsdagmiddag worden bekendgemaakt door Ineke Strouken, directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed.

Voormalig schaatser Ard Schenk is ambassadeur van het schoonrijden, dat ontstaan is rond 1875 en één van de oudste schaatsvormen van Nederland is. Kunstrijden en langebaanschaatsen zijn afgeleid van het schoonrijden. De sport is vooral bekend vanwege de sierlijke beweging.

De eerste wedstrijden in schoonrijden vonden plaats op de Keizersgracht in Amsterdam op 16 december 1879. In eerste instantie waren er alleen wedstrijden voor dames. Pas na vier jaar mochten ook de heren deelnemen aan wedstrijden. Sinds 1942 doen paren mee.

Door het plaatsen van schoonrijden op de Nationale Inventaris is de Landelijke Vereniging van Schoonrijders (LVS) verplicht tot het levend houden van de sport in Nederland voor de toekomst. De LVS doet dit door een aanbod van presentaties, proeflessen en demonstraties aan ijsclubs, studenten schaatsverenigingen en andere geïnteresseerde organisaties.

Eerder op dinsdag ging de film ‘Schoonrijden met Ard Schenk’ in première. Ook daarmee wil de LVS meer bekendheid geven aan het schoonrijden als uniek Nederlands sportcultureel erfgoed.

Foto: Huub Snoep
Bron: schaatsen.nl
post

Thomas en Schenk bij Open Dag Thialf

Annamarie Thomas en Ard Schenk zijn zaterdag speciale gast bij de Open Dag van Thialf. Samen met de bezoekers van het gratis toegankelijke evenement openen de voormalig schaatstoppers officieus het nieuwe schaatsseizoen.

De Open Dag duurt van 12:30 uur tot 16:00 uur.

Er kan natuurlijk geschaatst worden en er zijn ook diverse clinics en demonstraties van shorttrack-, marathon- en langebaanschaatsen maar ook van kunstrijden, curling en schoonrijden. Van die laatste sport is Schenk ambassadeur. Ook een kijkje achter de schermen behoort tot de mogelijkheden.

Volgend weekend, van 25 tot en met 27 oktober, wordt het wedstrijdseizoen in Thialf geopend met de KPN NK Afstanden.

Foto: schaatsen.nl
Bron: schaatsen.nl
post

Historie van de ‘Bloemenbokaal’

Je hebt ereprijzen en je hebt ereprijzen. In het schaatsen zijn het veelal medailles, al kreeg Jaap Eden toen hij in 1893 op het Museumplein in Amsterdam wereldkampioen werd een bijzondere trofee, geschonken door de Amsterdamsche IJsclub.

Ook in het schoonrijden was het lang traditie om fraaie wisselbekers aan de winnaars van de nationale titels beschikbaar te stellen. Petrus Wernink, zelf geen onverdienstelijk schoonrijder, gaf hiertoe op de jaarvergadering van de Bond in 1915 de aanzet. Uit erkentelijkheid “voor het genoegen dat het schoonrijden hem had geboden”, stelde hij een zilveren wisselprijs ter beschikking, de zogenoemde ‘Leidsche Beker’, voor de Nederlandse kampioenschappen heren.

Mejuffrouw C.P.E.M. Couvée uit Utrecht meende dat haar seksegenoten niet achtergesteld mochten worden en bood op de volgende algemene jaarvergadering de ‘Elf Provinciën Prijs’ aan, die als wisselbeker voor de Nederlandse dameskampioenschappen dienst zou doen.

Bezit

Het Nederlands kampioenschap moest driemaal achter elkaar of vier keer in totaal worden behaald om definitief bezitster van de ‘Elf Provinciën Prijs’ te worden. Voor de ‘Leidsche Beker’ gold een ander reglement. Die zou in 1928 definitief in het bezit komen van diegene die in dat jaar Nederlands kampioen werd. Dat werd Evert Lautenbach. Met vier nationale titels op rij en zeven in de periode 1906-1933 had de Rotterdammer er ook het meeste recht op.

In het jaar dat de schaatsbond veertig jaar bestond (1922), werd de ‘Elf Provinciën Prijs’ het eigendom van Trien de Boer-Blaauboer. Al op 28 november 1921 werd zij in Arnhem gekroond tot de nieuwe Nederlandse kampioene van het seizoen 1921-1922. Zij had de titel daarmee driemaal op rij gewonnen (1918, 1919 en 1922).

Nieuwe prijs

Het dagelijks bestuur van de Bond besloot daarop een nieuwe prijs voor het schoonrijden voor dames beschikbaar te stellen in de vorm van een zilveren bloemenbokaal, onder de naam ‘Jubileum-prijs’. Deze prijs, verreweg de mooiste die de afgelopen eeuw beschikbaar is gesteld, kreeg een levensduur mee van tien jaar en zou definitief in het bezit komen van diegene die de ‘Bloemenbokaal’ in het jaar dat de schaatsbond vijftig jaar zou bestaan (1932), veroverde.

De Bloemenbokaal werd uiteindelijk in het seizoen 1932-1933 bij het NK in Groningen eigendom van Trien de Boer-Blaauboer. Ze stelde hem echter opnieuw ter beschikking. En daardoor verhuisde de ‘Bloemenbokaal’ in 1940 naar Elisabeth Schoorl-Keetman, die in Groningen de titel voor de neus van Maria Stuurman van Vliet en Trien Blaauboer wegkaapte.

Toos Brinkmeyer-Koelemey

Toos Brinkmeyer-Koelemey met de bloemenbokaal.

Vijftien jaar later (1955) kwam de Bloemenbokaal definitief in handen van Toos Brinkmeyer-Koelemey, die drie maal achtereen Nederlands kampioene werd (1948, 1954 en 1955). De schaatsbond verzocht Toos Brinkmeyer-Koelemey, die ook in 1956 de nationale titel schoonrijden veroverde, de Bloemenbokaal wederom beschikbaar te stellen. Deze voelde daar echter niets voor, en toonde hem tijdens het 50-jarige bestaan van de LVS trots aan de fotograaf.

Staartje

Het einde van de Bloemenbokaal als ereprijs kreeg in 1963 tijdens de prijsuitreiking van het NK schoonrijden in Zenderen nog een staartje. De KNSB had namelijk geen nieuwe ‘ereprijs’ voor handen voor de dames. Daardoor ontstond bij de prijsuitreiking een pijnlijke situatie. De voorzitter van de KNSB, Henk Wesselo, kon namelijk aan de winnaar bij de heren, Dirk Visser, een enorme beker van bijna een halve meter hoog uitreiken, terwijl Riet Rommelaar-Timmerman, winnares bij de dames, met een ‘lilliput-bekertje’ werd opgescheept.

Dat lilliput-bekertje dankte de kampioene nog aan het initiatief van wedstrijdleidster, mevrouw A.A. Westenberg-De Zwaan uit Almelo. Zij had de KNSB meerdere malen verzocht stappen te ondernemen om voor een nieuwe prijs te zorgen. Omdat ze echter geen toezegging kreeg, nam ze het zekere voor het onzekere en kocht zelf een bekertje, “om ieder geval iets te hebben”, zoals ze na de prijsuitreiking aan een verslaggever liet weten. En dat was maar goed ook, want het bekertje bleek echt nodig te zijn.

Waar de ‘Bloemenbokaal’ nu is? Niemand die het weet. Misschien meegegaan in het graf met de inmiddels overleden Toos Brinkmeyer-Koelemey, want die was er apetrots op.

Foto’s: Huub Snoep
Bron: schaatsen.nl